Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Wetenschap dat rijbewijs ongeldig is verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte per aangetekende brief aan deze is verzonden en niet retour is gekomen bij het CBR, kan niet worden afgeleid dat verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Die gevolgtrekking kan daaraan ook niet worden verbonden in samenhang met de omstandigheid dat door een verbalisant is waargenomen dat verdachte en zijn vriendin na het tegemoetkomend passeren van het politievoertuig wisselden van zitplaats, waarna de vriendin van verdachte reed.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



16 mei 2017

Strafkamer

nr. S 15/05096

SG/LN

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 oktober 2015, nummer 22/002022-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, teneinde in hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte "wist" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

3.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij, op 23 februari 2014, te Dordrecht, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Oranjelaan, als bestuurder een motorrijtuig, te weten een personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd."

3.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal misdrijf d.d. 12 maart 2014 van de politie Zuid-Holland-Zuid met zaaknummer 0013700964. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Ik constateerde dat een persoon een feit pleegde dat valt onder artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 .

Waarneming:

Datum 23-02-2014

Omstreeks 10:16 uur

Plaats Dordrecht

Locatie Oranjelaan

Soort weg een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg

Voertuig personenauto

Verdachte werd ter controle op de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 gestelde bepalingen gevorderd zijn motorrijtuig te doen stilhouden. Bij informatie bleek dat het rijbewijs van verdachte voor het besturen van genoemd voertuig door het CBR ongeldig was verklaard.

Personalia verdachte: [verdachte], geboren [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats]

2. Een geschrift, zijnde de mededeling van het CBR van de ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte, aangetekend verzonden op 9 maart 2007 en niet retour gekomen.

3. Een proces-verbaal Wet Mulder d.d. 5 oktober 2014 van de Politie, Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2014403384-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Aanvullend kan ik verklaren dat [verdachte] en zijn vriendin wisselden van zitplaats in het voertuig, nadat wij hen tegemoetkomend waren gepasseerd.

Het onder 2 gebruikte geschrift is slechts gebruikt in samenhang met andere bewijsmiddelen."

3.4.

Het Hof heeft voorts het volgende overwogen:

"Wetenschap

Namens de verdachte is bepleit dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte wetenschap had van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het besluit van 9 maart 2007 tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte is aangetekend verzonden en niet retour gekomen. Daarnaast is door de verbalisant waargenomen dat de verdachte en zijn vriendin na het tegemoetkomend passeren van het politievoertuig wisselden van zitplaats, waarna de vriendin van verdachte reed. Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte op 23 februari 2014 moet hebben geweten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard."

3.5.

Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief aan deze is verzonden en niet retour is gekomen bij het CBR, kan niet worden afgeleid dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Die gevolgtrekking kan daaraan ook niet worden verbonden in samenhang met hetgeen het Hof blijkens de hiervoor weergegeven bewijsvoering voor het overige in aanmerking heeft genomen.

De bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte wist dat een op de naam van de verdachte gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard, is daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.6.

Het middel is terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature